Door de opwarming van het klimaat starten bijen eerder met de ontwikkeling van het broednest in het voorjaar. In grotere volken kunnen half februari al twee ramen met broed aanwezig zijn. Dit kost de bijen veel energie. In het hart van het broednest moet de temperatuur 35oC zijn.
Als er onverhoopt een koude periode volgt na half februari kan door een te lage temperatuur het broed afsterven. De bijen trekken de larven uit de broedcellen en beginnen opnieuw met het maken van een nieuw broednest. De opgelopen vertraging van de volksontwikkeling halen ze later weer ruimschoots is. Dit is gebaseerd op Duits onderzoek.
In hetzelfde onderzoek is gekeken of een laat broednest in het najaar (oktober-november) invloed had op de winterstrefte van bijenvolken. Normaal worden winterbijen geboren in augustus-september. Deze vliegen nauwelijks uit en kunnen wel drie-vier maanden oud worden. Als door warmer weer in het najaar een broednest tot in november aanwezig is, sterven een deel van de winterbijen. Deze moeten broed verzorgen en worden na twee weken haalbijen voor verzamelen van nectar, stuifmeel en water. Na een week vliegen sterven ze door slijtage van hun vleugels.
Een deel van de winterbijen sterft dus bij opwarming van het klimaat voortijdig. Echter jonge bijen die worden geboren in oktober-november nemen de taak van de winterbijen over. In het onderzoek bleek het langer aanwezig zijn van het broednest geen invloed te hebben op de winterstrefte. Wel moet de imker letten op de aanwezigheid van voldoende voer. De bijen gebruiken meer voer door het langer aanhouden van het broednest. Bijvoeren tot in oktober kan noodzakelijk zijn.
In het onderzoek in Duitsland bleek lang doorgaan met bijvoeren van een suikeroplossing geen invloed te hebben op de wintersterfte onder bijenvolken.